Het Oudhollandse hoekje

Liedjes en versjes uit Oma`s tijd

Heb je wel gehoord van de zevensprong?

Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven,
heb je wel gehoord van de zevensprong?
Ze zeggen dat ik niet dansen kan,
ik kan dansen als een edelman.
Dat is één.

Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven,
heb je wel gehoord van de zevensprong?
Ze zeggen dat ik niet dansen kan,
ik kan dansen als een edelman.
Dat is één.
Dat is twee.

Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven,
heb je wel gehoord van de zevensprong?
Ze zeggen dat ik niet dansen kan,
ik kan dansen als een edelman.
Dat is één.
Dat is twee.
Dat is drie.

Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven,
heb je wel gehoord van de zevensprong?
Ze zeggen dat ik niet dansen kan,
ik kan dansen als een edelman.
Dat is één.
Dat is twee.
Dat is drie.
Dat is vier.

Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven,
heb je wel gehoord van de zevensprong?
Ze zeggen dat ik niet dansen kan,
ik kan dansen als een edelman.
Dat is één.
Dat is twee.
Dat is drie.
Dat is vier.
Dat is vijf.

Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven,
heb je wel gehoord van de zevensprong?
Ze zeggen dat ik niet dansen kan,
ik kan dansen als een edelman.
Dat is één.
Dat is twee.
Dat is drie.
Dat is vier.
Dat is vijf.
Dat is zes.

Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven,
heb je wel gehoord van de zevensprong?
Ze zeggen dat ik niet dansen kan,
ik kan dansen als een edelman.
Dat is één.
Dat is twee.
Dat is drie.
Dat is vier.
Dat is vijf.
Dat is zes.
Dat is ze-he-ven.