Het Oudhollandse hoekje

Liedjes en versjes uit Oma`s tijd

Verlaten

Hij liep maandenlang op de keien,
En de toekomst bood hem geen bestaan;
Zijn oudjes die hadden het amper,
Dus zoo'n leegloper was niks gedaan.
Hij meldde zich als k'loniaal aan,
't Was uit wanhoop en zette zijn poot;
Zij wuifden hem na van de kade,
En hij neuriede droef op de boot:

Ver van alles, waarvan ik heb gehouwen,
Zwerf ik thans rond in alle eenzaamheid;
Elk die ik lief heb gehad, zal ik niet meer aanschouwen,
Vergeet mij niet en denk van tijd tot tijd,
Een oogenblik aan mij, die in den vreemden lijdt.

Zoo deed hij zijn plicht vele jaren,
Met zijn makkers in 't Indisch armee;
En was tusschen duizend gevaren,
Invalide geraakt in Atjeh.
Met Kerstmis met 't oude en nieuwe,
Voelde hij zich zoo droef en alleen;
En telkens op moeder's verjaardag,
Zong hij mijm'rend en stil voor zich heen:

Ver van alles, waarvan ik heb gehouwen,
Zwerf ik thans rond in alle eenzaamheid;
Elk die ik lief heb gehad, zal ik niet meer aanschouwen,
Vergeet mij niet en denk van tijd tot tijd,
Een oogenblik aan mij, die in den vreemden lijdt.

Hij was driekwart oud en versleten,
Toen men hem zijn pensioentje aan bood;
Toen kwam hij terecht in de kampong,
Want zijn oudjes die waren lang dood.
Zijn meid was getrouwd met een ander.
Dus verbroken was iedere band;
Toch zingt hij nog bij de herinn'ring,
Aan z'n oudjes, zijn meid en zijn land:

Ver van alles, waarvan ik heb gehouwen,
Zwerf ik thans rond in alle eenzaamheid;
Elk die ik lief heb gehad, zal ik niet meer aanschouwen,
Vergeet mij niet en denk van tijd tot tijd,
Een oogenblik aan mij, die in den vreemden lijdt.