Het Oudhollandse hoekje

Liedjes en versjes uit Oma`s tijd

Het waren twee koningskind'ren

Uit: Heije Volksdichten

Het waren twee koningskind'ren,
Zij hadden malkander zo lief;
Zij konden bijeen niet komen,
Het water was veel te diep.
Wat deed zij? Zij stak op drie keersen,
Als 's avonds het dagelicht zonk;
Och liefste komt zwemt erover!
Dat deed 's konings zone was jonk.

Dit zag daar een oude kwene,
Een alzo vileinig vel,
Zij gink er dat licht uitblazen;
Doen smoorde die jonge held.
"Och moeder, mijn liefste moeder,
Mijn hoofdje doet mij der zo wee!
Mocht ik er een wijle gaan wandelen
Gaan wandelen al langs de zee!"

"Och dochter, mijn liefste dochter,
alleen en moogt gij daar niet gaan;
maar wekt uwe jongste zuster
laat die met u wandelen gaan."
"Ach moeder, jongste zuster
Is nog een zo kleine kind;
Zij plukt er wel alle die bloemekens,
Die zij onderwegen vindt. "

Zij plukt er wel alle die bloemekens;
Die bladerkens laat zij staan;
Dan klagen die lieden en zeggen:
Dat hebben 's konings kind'ren gedaan.
Och dochter, liefste dochter,
Alleen en moogt gij daar niet gaan;
Maar wekt uwen jongsten broeder,
Laat die met u wandelen gaan.

Och moeder, mijn jongste broeder
Is nog een zo kleinen kind:
Hij loopter naar alle de vogels
Die hij onderwegen vindt.
Die moeder gink naar de kerke;
De dochter gink haren gank,
Tot zij er bij 't water een visser,
Haars vaders visser vand.

Och visser, zo sprak zij, visser,
Mijns vaders visserkijn,
Gij zoudt er voor mij eens vissen;
Het zal u geloned zijn.
Hij smeet zijne netten in 't water,
De lodekens gingen te grond;
In 't korte was daar gevisset
's konings zone, van jaren was jonk.

Wat trok zij van haren hande?
Een vingerlink rode van goud:
Houd daar, zeide zij, goede visser,
Dees vingerlink rode van goud.
Zij nam doen haar lief in haar armen
En kuste hem aan zijnen mond:
Och mondeken, kost gij nog spreken,
Och herteken, waart gij gezond!

Zij hield er haar lief in haar armen
En spronk er met hem in de zee:
Adieu, zeide zij, schone wereld,
Gij ziet er mij nimmermeer;
Adieu, o mijn vader en moeder,
Mijn vriendekens alle gelijk;
Adieu mijne zuster en broeder,
Ik vare naar 't hemelrijk.