Het Oudhollandse hoekje

Liedjes en versjes uit Oma`s tijd

Twee aardige mensen

Tekst: J.H. Speenhoff

Er waren twee aardige mensen
Die dachten van niemand geen kwaad.
Ze dachten alleen aan zichzelven
Zoals dat gewoonlijk meer gaat.
Het waren twee aardige mensen
Nog zonder verstand en gezond.
Die hielden zoveel van elkander
Alsof er geen schande bestond.

De ene studeerde voor dokter
Zijn vader had duiten daarvoor.
De ander verdiende haar broodje
Als schrijfstertje op een kantoor.
De een die zat rijk in de centen
Droeg kousen en vesten van zij.
en de ander, had bijna geen hemd aan
En toch was ze dapper en blij.

Hij wachtte haar op tegen achten
Dan had ze gedaan op kantoor.
Ze sprongen elkaar in de armen
En gingend er zingend vandoor.
Dan kreeg ze een ruikertje rozen
Een doosje met zeep of wat reuk.
En eens gaf hij haar als verassing
Een grappige hoed met een deuk.

Toen werd het hoe langer hoe mooier
Voor werken hadden ze geen tijd.
Haar penhouder had zij vergeten
En hij was zijn leerboeken kwijt.
Toen huurden zij ergens een kamer
Omdat er geen uitkomst meer was.
Daar kregen zij samen een kindje
En dat kwam volstrekt niet van pas.

Zijn vader sprak: "Aap van een jongen,
Ga gauw bij dat schepsel vandaan."
En geef haar een bankje van honderd
Dan is daar de zaak mee gedaan"
Toen bleef ze alleen met haar kindje.
Geen mens, die haar hielp in de nood.
Zij beefde van angst en van schande
En maakte haar kindje toen dood.

Er waren twee aardige mensen
Nog zonder verstand en gezond.
Die hielden zoveel van elkander
Alsof er geen wetboek bestond.
De een is gevestigd als dokter
En werkt voor een deftig bestaan.
De ander die zucht in het spinhuis
En daar denkt nu niemand meer aan.