Het Oudhollandse hoekje

Liedjes en versjes uit Oma`s tijd

Luilekkerland

Tekst: J.J.A. Goeverneur

Kom, wie wil er met ons trekken
Naar het zoet Luilekkerland?
Dáar is 't land der lekkerbekken,
Waarnaar menig watertandt.
Kijk, die daar eens heen mocht komen,
Kan goedkoop recht vroolijk zijn:
Melk en honing vloeit in stroomen,
Uit de rotsen tapt men wijn.
0, wat daar niet valt te kluiven!

Daar is kost voor ieders mond;
Eenden, ganzen, kippen, duiven
Vliegen er gebraden rond;
Rolpens, worst, in dikke plakken,
Hebt ge zoo voor 't grijpen maar;
Lekk're visch, gestoofd, gebakken,
Staat voor iedereen er klaar.

Chinaasappelen en oranjes
Groeien er aan heg en struik;
Vijgen, druiven en kastanjes
Zijn voor iedereens gebruik.
Och, je hoeft je niet te bukken,
Appels, van het stuk een pond,
Vallen, eer je ze kunt plukken,
Je zoo, plof! maar in den mond.

Pannekoeken, zwart van krenten,
Zijn de steenen van de straat;
Flensjes, taartjes, appelpenten
Vindt ge, waar ge gaat of staat;
Ulevellen, chocolaadjes
Reegnen zoo maar op je neer;
0, zóó'n leven, 'k zeg je, maatjes!
Vindt je nergens, nergens meer.

Ja, 't is daar een heerlijk leven,
Net een leven naar me keus;
Maar, wilt ge u er heen begeven,
Vriendjes, stoot dan niet je neus;
Want, zooals ik meen te weten,
Moet vóor 't land een brijberg staan,
En daar eerst door henen te eten,
Zal niet zoo heel maklijk gaan.