Het Oudhollandse hoekje

Liedjes en versjes uit Oma`s tijd

Leentje

Leentje was van arme mensen
en ze woonde in een straat
waar de lieve god de wensen
der bewoners niet verstaat.

Waar ze om zon en vreugde vragen,
en in duisternis bestaan
tot ze worden uitgedragen
en van de arme grafwaarts gaan.

En Leentje was nog maar een kindje
van zo'n jaar of acht
toen ze op een dag een vriendje
thuis bij moeders binnenbracht.

Was iets vreemds dat zij betoomde
nog een nieuwtje in de buurt
die er nog geen week in woonde
want hun krot was pas gehuurd.

En Leentje mocht hem dadelijk lijden,
hij had knikkers net als zij.
En ze speelden met zijn beiden
op een stoep zo zij aan zij

Tot dat Leentjes moeder hoorde
wie dat vreemde knaapje was
en hun vriendschap wreed verstoorde
want zo'n omgang gaf geen pas.

Leentje hoorde het in de lering
toen meneer kapelaan 't verbood
dat gaf later maar verkering
het nieuwe jochie was een jood.

Eerst wou Leentje het niet geloven
het jongetje was net als zij:
'Moeder', was ze opgestoven
'Hij is net als wij'

Maar toen zij dit protest liet horen
en hem toch weer bracht in huis
sloeg haar moeder haar om de oren
en daarna een zalig kruis

En als er nu in een donker straatje
kleintjes staan vlak bij elkaar
houden ze geen kinderpraatje
daar is hun geloof niet naar.

Want Leentje is een heel vroom kindje
uit de kudde van de paus
dus zegt Leentje tot eens haar vriendje.
'Ga toch weg, joh... Vuile smous'