Het Oudhollandse hoekje

Liedjes en versjes uit Oma`s tijd

Het loon van den arbeid

Hij zwoegde dag in en dag uit op fabriek,
Zijn geest was versuft en zijn lichaam was ziek,
Maar thuis wachtte moeder de vrouw, het gezin,
Want buiten den vader bracht niemand wat in.
Toen eens op een dag hem de werkbaas ontbood;
Met tientallen and'ren ontslagen uit nood!
Geen smeekbeden hielpen, de noodzaak was wreed,
Maar thuis bracht die boodschap een wereld van leed.

Moeder niet huilen, 't wordt beter misschien,
Moeder ik kan er je tranen niet zien.
'k Heb nooit geweten, het doet zoo een pijn,
't Loon van den arbeid zoo bitter kan zijn!

De weken verliepen en hoog steeg de nood,
Thuis vroegen de kind'ren wanhopig om brood,
En vader niet langer tot denken in staat,
Rent als een waanzinnige weg naar de straat.
Ze hebben hem toen bij zijn misdaad betrapt,
Hij had uit een winkel twee brooden gegapt.
Toen moeder de vrouw hem bezocht in z'n cel,
Toen zei-die, "Wees sterk wijf, de tijd gaat zoo snel!"

Moeder niet huilen, 't wordt beter misschien,
Moeder ik kan er je tranen niet zien.
'k Heb nooit geweten, het doet zoo een pijn,
't Loon van den arbeid zoo bitter kan zijn!

Maar ach, toen hij thuis kwam, vond hij haar niet meer,
De dood nam dat lichaam, zoo zwak en zoo teer.
Een kruis op haar graf, was de plaats waar zij lag,
En snikkende zei hij voor 't laatst haar gedag.
Een eenzame zwerver, gebroken door 't leed,
Waarvoor was zijn ploeterend leven besteed?
Aan 't sjofele graf zonk hij biddend neer,
M'n schat, in den hemel daar zie ik je weer.

Moeder niet huilen, 't wordt beter misschien,
Moeder ik kan er je tranen niet zien.
'k Heb nooit geweten, het doet zoo een pijn,
't Loon van den arbeid zoo bitter kan zijn!

Nu leeft hij op kosten van 't Armenbestuur,
Daar wacht hij gelaten op zijn stervensuur.
Zijn kinderen kijken niet meer naar hem om,
En uren zit hij daar verslagen en stom,
Dan denkt hij met bittere wrok in het hart,
Aan 't leven vol armoe, ellende en smart.
Dan smeekt hij, o God, breng me weer bij m'n vrouw,
M'n lieveling, o, hoe verlang ik naar jou.

Moeder, niet huilen, heel kort nog misschien,
Moeder daarboven, zal 'k jou wederzien!
Dan is 't gedaan met m'n leed en m'n pijn.
't Loon van den arbeid, zal de Eeuwigheid zijn.