Het Oudhollandse hoekje

Liedjes en versjes uit Oma`s tijd

Het hondje van de rijken

Tekst: E. Paoli

In een salon bij 't warme haardvuur
Ligt Fifi in zijn zijden mand
Hij laat zich lekk're hapjes voeren
En strelen door een dameshand
En om de hoek in 't nauwe steegje
Zit in een krot een weduwvrouw
Bij d'harde strozak van haar kind'ren
Schreiend ontwakend van de kou

Het hondje van de rijken
Dat leeft in overvloed
Terwijl het kind der armen
Zoveel ontberen moet
Het hondje van de rijken
Krijgt alles even fijn
En menig kind der armen
Zou graag zo'n hondje zijn

Als Fifi 't vlees niet mals genoeg vindt
Haalt hij de neus op en bromt kwaad
Dan komt de dienstmeid die het eten
Achter een boom werpt op de straat
En is de dienstmeid weer naar binnen
Komt 'n kindje, haveloos gekleed
Dat smult ervan en Fifi ziet het
En gromt voor 't raam foei, wat 'n proleet

Als Fifi dood is, liggen bloemen
En mooie rozen op zijn mand
Hij krijgt een eigen graf met 'n grafsteen
Daar heeft hij recht op door zijn stand
Als 't kind der armen wordt begraven
Daalt 't ruwe kistj' in 't grote graf
En snikkend zegt de moeder: 'Liev'ling
Een bloempje? Heus, 't kon er niet van af!'