Het Oudhollandse hoekje

Liedjes en versjes uit Oma`s tijd

Het aardige ventje

Tekst: J. van Lennep

Daar liep eens een ventje over de straat;
Hij droeg op zijn borst een ruiker;
Hij had er een hoedje van chocolaad,
Zijn haar was gespoten suiker.
Zijn wangen, die waren van appelmoes,
Zijn lippen morellen, zijn neus een soes,
Elk tandje een pepermentje ...
O, wat een aardig ventje!
Zijn oogen sucade in ijs gevat ...
O, wat een aardig ventje was dat!

Wel kinderen, was 't niet de moeite waard,
Dat ventje eens op te zoeken?
Zijn hals was een abrikozentaart,
Zijn armen twee Deventerkoeken.
En balletjes waren zijn handen zoo fraai
En hij liep op twee beenen van taai-taai-taai;
Voorzeker ... ik wed om een centje,
Nooit zag je zoo'n aardig ventje!
Je moogt er om loopen door dorp of door stad ...
Nooit zag je zoo'n aardig ventje als dat!

Hij wandelde voort op zijn dooie gemak
Al met bijzondere gratie;
Hij droeg er een rokje van wafelgebak
Met knoopjes van speculatie.
Zijn schoenen die waren van witte drop,
En twee zwarte knoopjes blonken er op,
En elke knoop was een krentje ...
Nooit zag ik een aardiger ventje!
'k Wou 'k zijn adres maar geweten had ...
Nooit zag ik een aardiger ventje dan dat!