Het Oudhollandse hoekje

Liedjes en versjes uit Oma`s tijd

Het fiere schooiershart

Tekst: O. Zeegers - Muziek: W. Derby

Ik loop als 'n schooier door weer en door wind
Bij dag en tot diep in de nacht
Er is haast geen mens me wat vriend'lijk gezind
Ik word door een ieder veracht
De dames en heren die gaan me voorbij
Er zijn er die ik goed heb gekend
Ze houden vol afschuw hun kleren opzij
Uit angst voor zo'n schunnige vent

Maar onder m'n lompen daar draag ik nog iets
Waarmee ik de wereld tart
Daar klopt en daar leeft
Daar lijdt en daar beeft
M'n fiere schooiershart.

Er was 'ns 'n tijd het is jaren geleen
Dat ik niet zo'n verschoppeling was
Toen sneed er de wind door m'n kleren niet heen
Toen drong er geen kou door m'n jas
Toen had ik 'n woning toen kende ik geluk
Toen had ik 'n vrouw en 'n kind
Opeens greep het noodlot me weg met 'n ruk
O god wat ik zo teer had bemind

Maar onder m'n lompen daar draag ik nog iets
Waarmee ik de wereld tart
Daar klopt en daar leeft
Daar lijdt en daar beeft
M'n fiere schooiershart.

Een krack op de beurs en m'n zaken failliet
Aan flarden m'n hele bestaan
Een vriend die me hielp, ach die vond ik toen niet
Ze lieten het noodlot begaan
En drie maanden later, toen greep het m'n vrouw
En gaf haar 'n kerel met geld
't Was uit met haar liefde, 't was uit met haar trouw
Ze was zo op weelde gesteld

Maar onder m'n lompen daar draag ik nog iets
Waarmee ik de wereld tart
Daar klopt en daar leeft
Daar lijdt en daar beeft
M'n fiere schooiershart.

Ik weet niet hoe alles juist is gebeurd
Ik was zo krankzinnig van smart
't Was of m'n kop me vaneen werd gescheurd
M'n vuist werdt als ijzer zo hard
Ik wist het niet eerder dan toen ik m'n hand
Zo gruwelijk rood zag van bloed
Ik heb voor zijn dood naar de wetten van 't land
Vijf jaar van m'n leven geboet
Maar onder m'n lompen daar draag ik nog iets
Waarmee ik de wereld tart
Daar klopt en daar leeft
Daar lijdt en daar beeft
M'n fiere schooiershart.

En toen ik weer loskwam toen was ik 'n man
Die niets op de wereld meer had
Zo'n schooier als ik ben daar gruwen ze van
Zo'n schooier die vijf jaar lang zat
Maar straks toen ik in 't portiek van 'n bar
Wat schuilde voor regen en wind
Toen hoorde ik opeens bij de vrolijkheid daar
De stem en de lach van m'n kind

Maar onder m'n lompen daar draag ik nog iets
Waarmee ik de wereld tart
Daar klopt en daar leeft
Daar lijdt en daar beeft
M'n fiere schooiershart.

Ze was als 'n dame in zij en in kant
Ze liep met 'n sjieken meneer
O god en toen lei ze 'n gulden in m'n hand
Ze keek met 'n lachje op me neer
Ze had in m'n lompen me goddank niet herkend
Ze wist niet m'n smart en m'n leed
Ze zag niet de traan van de sjofele vent
Die 't geldstuk het water insmeet.

Maar onder m'n lompen daar draag ik nog iets
Waarmee ik de wereld tart
Daar klopt en daar leeft
Daar lijdt en daar beeft
M'n fiere schooiershart.