Het Oudhollandse hoekje

Liedjes en versjes uit Oma`s tijd

De karekiet

In de schone lentedagen,
bij de oever van de vliet,
hoort men vaak een vogel zingen,
lustig zingen in het riet.
En als gij zijn naam wilt weten,
o, geloof me, vraag hem niet.
Want hij zegt hem hele dagen
in zijn lustig kwetterlied!

Karekiet, kiet, kiet,
'k woon in 't riet, riet, riet,
Karekiet in het riet,
maar ge vindt me toch niet!
Karekiet, kiet, kiet,
ah, ge vindt me niet, om de duivel niet!

Jantje Koek eet gaarne eiers,
vogeleiers vindt hij goed,
en zo komt het dat hij heden
in het bos zijn ronde doet.
Ei, wat hoort hij daar aan 't water?
Wacht maar, kleine deugeniet,
ha, ge durft mij komen plagen
met uw aardig spotterslied!

Karekiet, kiet, kiet,
'k woon in 't riet, riet, riet,
Karekiet in het riet,
maar ge vindt me toch niet!
Karekiet, kiet, kiet,
ah, ge vindt me niet, om de duivel niet!

Jantje Koek kan 't niet meer horen,
woedend loopt hij van de dijk.
Maar in plaats van 't nest te vinden
schiet hij netjes in het slijk.
En als Jan er nog niet uit is,
ja, dan steekt hij er nog in.
Maar nog zingt het karekietje
't lustig liedje blij van zin!

Karekiet, kiet, kiet,
'k woon in 't riet, riet, riet,
Karekiet in het riet,
maar ge vindt me toch niet!
Karekiet, kiet, kiet,
ah, ge vindt me niet, om de duivel niet!